Interview • Balans • 23 december 2018

VU-onderzoek wijst uit: ADHD-medicatie verbetert schoolprestaties nauwelijks

VU onderzoek ADHD medicatie

Anne Fleur Kortekaas-Rijlaarsdam (Vrije Universiteit Amsterdam) onderzocht het effect van ADHD-medicatie op de schoolprestaties.  ‘Veel mensen waren verbaasd over de uitkomst van mijn onderzoek.’

Interview: Renate van der Zee

Ouders en leerkrachten denken vaak dat medicatie kan helpen als kinderen met ADHD het minder goed doen op school. Klinisch neuro-psycholoog Anne Fleur Kortekaas-Rijlaarsdam deed er onderzoek naar en constateerde: ADHD-pillen hebben nauwelijks effect op schoolprestaties. ‘Als het belangrijkste probleem is dat je kind niet goed presteert op school, dan is medicatie wellicht niet de beste oplossing.’

 

Waarom wilde u het effect van ADHD-medicatie op schoolprestaties onderzoeken?

‘Het gebruik van ADHD-medicijnen is de laatste jaren toegenomen. Het aantal kinderen dat ze kreeg voorgeschreven, groeide van één procent in 2003 naar vier procent in 2014. Tegelijkertijd hadden we het gevoel dat ouders en leerkrachten vaak denken dat die medicatie een gunstig effect heeft op leerprestaties, terwijl dat lang niet altijd uit de onderzoeken naar voren kwam. We hadden het idee dat er hogere verwachtingen waren van ADHD-medicatie dan kon worden waargemaakt. Daarom vonden we het belangrijk om er onderzoek naar te doen.’

 

Hoe gingen jullie te werk bij dat onderzoek?

‘We gaven kinderen met ADHD één week medicatie en één week een placebo. De kinderen wisten niet wanneer ze wat kregen, en dat gold ook voor hun ouders, leraren en de onderzoekers. Aan het einde van elke week keken we hoe de kinderen het deden op school. We keken ook hoe gemotiveerd ze waren voor hun schoolwerk en hoe de symptomen van ADHD veranderden. Want we wilden weten: als ze inderdaad beter gaan presteren op school, komt dat dan doordat ze gemotiveerder worden van de medicatie, of komt het doordat ze minder rondjes door de klas gaan rennen of bijvoorbeeld doordat ze makkelijker dingen kunnen onthouden? Er deden 65 kinderen met ADHD mee, van wie 63 het onderzoek helemaal afmaakten. Ook was er een controlegroep van 67 kinderen zonder ADHD. Die kregen geen medicatie, maar we keken wel naar hun schoolprestaties en hun motivatie. Bij wijze van vergelijkingsmateriaal.

Uit oudere onderzoeken was naar voren gekomen dat ADHD’ers met medicatie wel meer sommen gingen maken, maar dat ze niet altijd hetzelfde niveau bereikten als hun  klasgenootjes zonder ADHD. Onze vraag was dus niet alleen: verbeteren de prestaties? Maar ook: als er verbetering is, komen deze kinderen dan op hetzelfde niveau als hun klasgenootjes zonder ADHD of blijven ze daar nog steeds onder steken? Naast dit onderzoek deed ik een meta-analyse van meer dan dertig vergelijkbare studies die de afgelopen veertig jaar zijn gedaan.’

 

Wat ontdekte u?

‘Uit beide onderzoeken kwam naar voren dat de effecten van ADHD-medicatie op schoolprestaties klein zijn. Wij keken naar hoe kinderen het deden in basisschoolvakken: lezen, rekenen en spellen. We maakten bovendien onderscheid tussen productiviteit en nauwkeurigheid. Dus: gaan deze kinderen als ze medicatie krijgen alleen méér rekenen en méér lezen, of gaan ze ook kwalitatief echt beter rekenen en beter lezen?

We zagen dat er effecten waren op het gebied van productiviteit. Met medicatie gingen de kinderen wat meer sommen maken. Maar het effect was klein: volgens de meta-analyse nam de rekenproductiviteit maar met acht procent toe. We zagen ook een toename in de leessnelheid, maar de kinderen werden niet nauwkeuriger met lezen en ook niet met spellen. Ze werden wel drie procent nauwkeuriger met rekenen. Dat is heel weinig, wellicht verwaarloosbaar. Dan heb je het over één som meer die je goed maakt.

Wij vroegen ons af: wat is het effect van die ene som of die acht procent rekenwerk die een kind meer verzet op de lange termijn? Leidt het ertoe dat hij uitstroomt naar een hoger schoolniveau of dat hij een andere vervolgopleiding gaat doen? We legden ons onderzoek daarom ook naast lange-termijnstudies. En die sluiten grotendeels bij onze conclusies aan. Daarin stellen de onderzoekers ook dat jongeren met ADHD niet beter gaan presteren op school wanneer ze medicijnen krijgen.’

 

Jammer?

‘Ja, dat is jammer, maar het strookt helaas wel met wat allerlei lange-termijnonderzoeken uitwijzen, namelijk dat jongeren met ADHD langer financieel afhankelijk van hun ouders zijn en het moeilijker vinden om een baan te krijgen en te behouden. En ook dat de behandelingen die voorhanden zijn daar niet veel invloed op hebben. Het zou vreemd zijn als ADHD-medicatie direct op de korte termijn positief effect zou hebben op schoolprestaties, maar op de lange termijn niet.’

 

Hoe komt het dan dat ouders en leerkrachten toch vaak denken dat medicatie de prestaties verbetert?
‘Het is begrijpelijk dat ze dat verwachten. Er zijn onderzoeken die laten zien dat kinderen met ADHD zich beter gaan concentreren en dingen beter onthouden wanneer ze medicijnen krijgen. Ze zijn minder hyperactief, minder impulsief, kortom ze zitten makkelijker te werken op school. Ze voelen zich rustiger in de klas en hebben misschien makkelijker contact met klasgenoten. Ik  begrijp daarom best dat ouders en leerkrachten verwachten dat ze ook daadwerkelijk de toetsen beter gaan maken of een hoger middelbaar schoolniveau halen. Maar onze resultaten ondersteunen deze verwachting niet. In ons onderzoek hadden de ADHD-medicijnen geen invloed op geheugen- en aandachtsfuncties die belangrijk zijn om goed te kunnen leren en op de motivatie voor school.’

 

Wat zou u tegen ouders en leerkrachten willen zeggen naar aanleiding van dit onderzoek?

‘Als het belangrijkste probleem is dat je kind niet goed presteert op school, dan is medicatie wellicht niet de beste oplossing voor hem. Ik adviseer behandelaren om terughoudend te zijn met het voorschrijven van deze pillen als het voornaamste doel is schoolprestaties te verbeteren.’

 

Wat ziet u dan wel als een goede aanpak?

‘Dat is een belangrijke vraag. Er zijn onderzoeken die aantonen dat oudertraining gericht op schoolprestaties of een combinatie van oudertraining en leerkracht-training hierin effectief kan zijn. Op middelbare scholen zouden ook vaardigheidstrainingen voor de leerlingen zelf helpen. Het probleem is dat daar nog niet voldoende onderzoek naar is gedaan. Naar het effect van medicatie is meer dan veertig jaar lang onderzoek gedaan, maar naar het effect van leerkracht- en oudertraining en vaardigheidstraining helaas niet. Toch denk ik dat daar de belangrijkste winst te behalen valt. Want die trainingen zijn echt toegespitst op schoolprestaties. Terwijl de behandeling met medicatie op dit moment alleen is gericht op het verminderen van de gedragssymptomen van ADHD.’

 

Uw onderzoek heeft behoorlijk wat aandacht getrokken in de media, had u dat verwacht?

‘Ja, ik begrijp dat zeker. ADHD-medicatie laat een kind langer taakgericht werken, wellicht met meer concentratie, en dan toch verbeteren de schoolprestaties niet. Dat is niet wat je zou verwachten. Veel mensen waren verbaasd over de uitkomst van mijn onderzoek. Sinds de jaren tachtig zijn er vrij veel studies gedaan naar de effecten van ADHD-medicatie op schoolprestaties, maar die studies gebruikten veel verschillende methoden. Zo gebruikten sommige onderzoekers taken waarvan de leerkrachten van de kinderen de inhoud en het niveau mochten bepalen. Hierdoor kon je de resultaten van de verschillende studies niet goed met elkaar vergelijken: het ene kind had dan een heel makkelijke taak gemaakt gericht op bijvoorbeeld lezen, terwijl het andere kind een heel andersoortige taak had gedaan. Laat ik het zo zeggen: er zijn de afgelopen jaren wat tegenstrijdige onderzoeksresultaten voorbijgekomen die suggereerden dat medicatie wél hielp bij de schoolprestaties. Als je de literatuur uitgebreid bestudeerde, ging je hieraan twijfelen. Voor wij aan onze studie begonnen, verwachten wij dan ook dat de effecten van ADHD-medicatie op schoolprestaties klein zouden zijn. Maar zó klein, dat hadden we niet verwacht.

 

Anne Fleur Kortekaas-Rijlaarsdam is klinisch neuro-psycholoog en werkt momenteel als universitair docent en opleidingscoördinator bij de afdeling Pedagogiek en Onderwijswetenschappen van de Vrije Universiteit Amsterdam. Haar onderzoek richt zich op het verbeteren van schoolparticipatie en schoolprestaties van kinderen met en zonder aanvullende onderwijsbehoeften.