Interview • Balans • 23 december 2018

DCD is veel meer dan alleen motorische ‘onhandigheid’

Kind met DCD

Griet en Kaat Dewitte, beiden gespecialiseerd in DCD, vertellen dat DCD veel méér is dan alleen motorische ‘onhandigheid’. Het werkt zelfs door bij het woordjes leren in een vreemde taal, of het opslaan van de tafels bij rekenen.

Interview: Anouk van Westerloo

Kaat en Griet Dewitte zijn beiden kinderfysiotherapeut en gespecialiseerd in DCD. Samen schreven zij Mijn kind heeft DCD. Een duidelijk en zeer praktisch toepasbaar boek dat de problematiek rond DCD weergeeft, maar ook veel nuttige en uitgebreide beschrijvingen bevat over hoe bepaalde handelingen in de praktijk stap voor stap thuis kunnen worden aangeleerd.

 

Wellicht dat hun tweeling-zijn ten grondslag ligt aan hun gedeelde interesse voor DCD. Griet richt zich wat meer op onderzoek en Kaat is meer gericht op de praktijk, maar de overeenkomsten zijn onmiskenbaar. Het toeval wil bovendien dat Kaat, lang nadat zij zich begon te specialiseren, drie kinderen kreeg van wie er twee DCD hebben. Een bijkomstigheid die ervoor zorgt dat zij niet alleen professioneel deskundig maar ook een ervaringsdeskundige is. Kaat: ‘Ik kan me hierdoor goed in de ouders verplaatsen en ik heb DCD extreem goed leren kennen. Je wordt van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat geconfronteerd met deze beperking.’

 

Allesomvattende stoornis

Dat is ook precies wat opvalt als je het boek leest. DCD is allesomvattend, een stoornis die niet alleen gaat over motorisch ‘onhandig’ zijn, maar veel dieper reikt. Griet: ‘DCD gaat niet over zodra een kind een handeling heeft aangeleerd. Er komen tot en met de volwassenheid steeds nieuwe motorische vaardigheden bij die problemen opleveren, denk aan scheren, tampons gebruiken en autorijden. Daarnaast kan DCD ook zorgen voor sociale en emotionele problemen, de fysieke fitheid komt in het gedrang, er zijn aandachtsproblemen.’

Want het kernprobleem van DCD, het moeilijk automatiseren van motorische bewegingen, werkt ook door op andere gebieden, zoals leren en concentreren, vult Kaat aan. ‘Het gaat ook over cognitieve vaardigheden. Het moeilijker opslaan van de tafels bij rekenen, woordjes leren in een vreemde taal…’

En er kunnen op den duur zelfs psychische problemen ontstaan. Niet in eerste instantie, maar na een tijdje. Dat komt, volgens Griet, doordat kinderen met DCD van jongs af aan al veel faalervaringen te verwerken krijgen. Het kind krijgt zijn knoopjes van zijn broek niet dicht, kan zijn veters niet strikken, aankleden duurt lang… Vaak begrijpt de omgeving niet waarom alles zo traag gaat en bestempelt een kind dan als lui of koppig. Terwijl er bij het kind in de hersenen echt iets fout gaat, signalen worden niet goed doorgegeven. Op die manier wordt er een sfeer gecreëerd waarin een kind niet anders kan dan falen en een laag zelfvertrouwen krijgt. En dat is nu precies wat beide zussen met hun boek proberen te voorkomen. Griet: ‘We zouden graag zien dat kinderen met DCD al heel vroeg in hun ontwikkeling worden ondersteund, in plaats van dat ouders zeggen: waarom duurt het nou weer zo lang, doe eens beter je best! Deze week had ik nog een voorbeeld van een jongen die thuiskwam van school met een schrift vol rode strepen van de juf. Omdat hij slordig schrijft en veel fouten maakt. Dat zijn heel veel faalervaringen…’

 

Geen onwil maar onkunde

‘Lui’ is een woord dat Kaat en Griet vaak tegenkomen in gesprekken met ouders van kinderen met DCD. Maar zij willen juist benadrukken dat het gaat over onkunde, niet over onwil. Toch kan een kind met DCD op den duur wel onwillig worden en kunnen er inderdaad gedragsproblemen ontstaan, maar de bron van die onwil ligt ergens anders. Kinderen geven in het begin aan dat ze iets niet kunnen, maar als ze daar niet op een constructieve manier mee worden geholpen, terwijl wel wordt geëist dat ze een bepaalde vaardigheid ‘moeten kunnen’, dan gaat een kind die vaardigheid proberen te vermijden. En wordt het van ‘niet kunnen’ naar ‘niet willen’. Griet: ‘Door dat ‘niet willen’ te blijven zien als moeilijk gedrag in plaats van een motorisch probleem, werk je gedragsproblemen in de hand.’

DCD is volgens de schrijvers sowieso een onderbelichte en nog weinig bekende en begrepen stoornis. In elk geval in het Nederlandse taalgebied. Zo’n vijf tot zeven procent van alle kinderen zou DCD hebben, maar in vergelijking met ASS en ADHD worden veel minder kinderen gediagnosticeerd. Wel is er de laatste jaren een verschuiving te zien binnen de hulpverlening rond DCD. Eerst werd er vooral en alleen naar het kind gekeken, nu meer en meer naar het kind én de omgeving. Kaat: ‘We willen meer toe naar coaching in plaats van therapie. In Canada is een mooi model ontwikkeld: Partnering For Change. Daar komt een ergotherapeut mee naar school om allerlei dagelijkse handelingen te helpen aanleren: aan- en uitkleden bij gym, met mes en vork eten in de pauze, enzovoort. Ook de ouders en de leerkracht worden daarbij betrokken. In België en Nederland gebeurt dat nog niet, maar dat zouden we wel graag zien in de toekomst.’

Ook in de behandelpraktijk is er een verschuiving gaande, vertelt Griet, van vooral werken aan algemene evenwichts- en coördinatieoefeningen (procesgericht) naar meer praktische vaardigheden aanleren die in het dagelijks leven van belang zijn (taakgericht).

Griet: ‘Bij jonge kinderen werken we nog op beide processen, maar hoe ouder iemand wordt, hoe meer taakgericht de oefeningen worden. Je leert ze die taken aan die nodig zijn voor hun dagelijks leven en waarvoor ze ook gemotiveerd zijn.’ Griet leidt kinderfysiotherapeuten op die gaan werken met kinderen met DCD, en in de opleiding ligt meer en meer de nadruk op samenwerking met de ouders. Griet: ‘Uiteindelijk zijn het de ouders die er dagelijks mee moeten werken; één of twee uur fysiotherapie per week, daar redt een kind het niet mee. Dus als kinderfysiotherapeut geven wij veel tips aan ouders. Bijvoorbeeld de handeling visueel en verbaal ondersteunen, in kleine stapjes opdelen en vooral heel veel geduld hebben…’

 

Nadenken over bewegingen

In het boek staan veel praktijkvoorbeelden die de complexiteit van DCD weergeven. Zo is er het verhaal van een jongetje dat telkens als hij in bad klimt met zijn hoofd tegen de badrand klettert. En van een volwassen vrouw die steeds maar weer trekt aan een deur waar toch duidelijk ‘duwen’ opstaat. Hoe kan het dat mensen met DCD niet leren van hun fouten en steeds op dezelfde manier te werk gaan, terwijl die manier niet het gewenste resultaat oplevert?

Griet: ‘Kinderen, maar ook volwassenen met DCD hebben maar één manier om een handeling uit te voeren. Ze kunnen moeilijk zelf bedenken hoe ze iets ‘anders’ moeten doen. Dat is ook precies waar ouders en leerkrachten zich zo druk om maken: hij gooit elke keer de bal veel te hard! Maar zo’n kind kan niet uit zichzelf bedenken dat hij minder kracht moet zetten of de bal eerder moet loslaten om een ander resultaat te krijgen. Dat moet je hem stap voor stap leren.’

Mensen zonder DCD doen ontelbaar veel handelingen op de automatische piloot. Lopen, fietsen, schrijven, knippen en zelfs autorijden worden al snel handelingen waar je niet meer bewust bij stilstaat. Bij mensen met DCD werkt dat anders. Zij automatiseren niet of heel moeilijk, en moeten dus telkens weer blijven nadenken over hun bewegingen. Griet: ‘Er zijn volwassenen met DCD die bijvoorbeeld tijdens een boswandeling, op een onstabiele ondergrond, niet kunnen praten en lopen tegelijk. Ze hebben al hun cognitieve aandacht nodig om hun voeten goed neer te zetten. Als je zo in je hoofd bezig bent met een alledaagse handeling, dan kan het dus voorkomen dat je het bordje ‘duwen’ op een deur gewoon niet opmerkt.’

 

Meisjes met DCD

Bij de diagnose DCD zijn meisjes, net als in veel andere ontwikkelingsstoornissen, ondergediagnosticeerd. Niet dat de diagnose lastiger te stellen is bij meisjes, maar zij vallen nu eenmaal minder op. Kaat: ‘Een rustig meisje dat veel binnen blijft en lief zit te kleuren of met de poppen speelt, wordt normaal gevonden. Een jongetje dat nooit buiten wil spelen, nooit ergens opklimt of nooit een bal oppakt, wordt wel opgemerkt.’ Bovendien ontwikkelen meisjes volgens Griet toch de fijnmotorische vaardigheden van kleuren en tekenen wat beter, omdat ze het over het algemeen meer doen dan jongens. Griet: ‘Zeker als een meisje dan ook geen moeilijk gedrag vertoont, dan is er geen reden voor ouders om aan de bel te trekken.’

Toch is vroege herkenning van DCD, ook bij meisjes, heel belangrijk. Kaat: ‘Meestal wordt de diagnose rond het vijfde of zesde jaar gesteld, maar ook al daarvoor – dan spreken we van ‘tekenen van DCD’ – kun je al heel wat dingen doen om een kind te helpen. Ouders, de crèche, andere begeleiders, kunnen al worden gecoacht in het omgaan met DCD door bijvoorbeeld de handeling aan te passen (een elastieken broekband in plaats van knoopjes, of klittenband-schoenen in plaats van veters), en door handelingen met woorden te begeleiden en stap voor stap uit te leggen, en dat te blijven herhalen.’

Door een kind met DCD al heel jong op de juiste manier te ondersteunen, kun je volgens de schrijvers voorkomen dat kinderen gefrustreerd raken, een laag zelfbeeld ontwikkelen en probleemgedrag gaan vertonen. Maar hoe merk je dat je kind misschien wel DCD heeft? Volgens Kaat is bij heel jonge kinderen vooral het gebrek aan experimenteerdrang opvallend. Kaat: ‘Mijn eigen kinderen met DCD waren eigenlijk heel makkelijk. Ze bleven op een kleedje zitten en keken in een boekje. Terwijl mijn andere kind zonder DCD op onderzoek uitging, zijn vingers in stopcontacten stak, lades opentrok en overal op wilde klimmen.’ Behalve weinig drang tot experimenteren is ook een beperkte variatie in beweging een duidelijk kenmerk. Weinig rondkruipen of lopen, weinig verschillende handelingen doen of het kruipen helemaal overslaan of billenschuiven, kunnen allemaal signalen zijn. Ook problemen met zindelijk worden, horen daar volgens Kaat bij. Doordat kinderen met DCD hun lichaam niet goed aanvoelen, kunnen ze ook prikkels van de blaas of darm niet opmerken, of pas als het al ‘te laat’ is.

 

Te weinig gestimuleerd

Veel ouders met kinderen met DCD maken zich zorgen dat ze wellicht hun kind niet genoeg hebben gestimuleerd toen het jonger was. Maar volgens Kaat en Griet kan dat nooit een oorzaak zijn van DCD. Griet: ‘Het is niet zo dat als je weinig met je kind hebt getekend en gekleurd, dat het daarom problemen heeft met bijvoorbeeld voorbereidend schrijven op school. Maar we zien wel dat door dat tekenen en kleuren veel te gaan oefenen, op de juiste manier, het kind wel vooruitgaat en dan zal het dat voorbereidend schrijven ook beter kunnen ontwikkelen. Kinderen met DCD hebben heel veel extra oefening nodig bij zaken die bij andere kinderen ‘vanzelf’ ontwikkelen. En als ze daar niet al heel vroeg in worden ondersteund, zullen kinderen dat uit zichzelf niet gaan doen, omdat ze juist handelingen die ze moeilijk vinden vermijden. En zo komen ze in een vicieuze cirkel terecht. Want hoe minder je een vaardigheid oefent, hoe slechter je erin wordt…

 

Kaat en Griet Dewitte zijn beiden werkzaam als kinderfysiotherapeut (‘pediatrisch kinesi- therapeut’ in België) en gespecialiseerd in de begeleiding van kinderen met DCD. Kaat Dewitte werkt op een school voor kinderen met specifieke onderwijsbehoeften en is actief binnen Dyspraxis vzw, een ouderwerkgroep voor kinderen met DCD. Griet Dewitte werkt in een diagnostisch centrum voor ontwikkelingsstoornissen (COS-UZ Gent) en is daarnaast verbonden aan de vakgroep Revalidatiewetenschappen en Kinesitherapie van de Universiteit Gent waar zij pediatrisch kinesitherapeuten opleidt. Samen schreven zij Mijn kind heeft DCD, gids voor ouders, leerkrachten en hulpverleners.

 

DCD en andere stoornissen

DCD komt in veel gevallen in combinatie voor met een andere stoornis. Zo heeft zestig tot zeventig procent van de kinderen met spraakontwikkelingsdyspraxie óók DCD. De helft van de kinderen met ADHD, en bij kinderen met ASS zelfs meer, heeft ook in meer of mindere mate last van een zwakkere motoriek. (Van DCD wordt pas gesproken als die motorische problemen zodanig zijn dat ze het dagelijks functioneren in de weg zitten.) De overeenkomst tussen al deze ontwikkelingsstoornissen zit hem naar alle waarschijnlijkheid in het beperkt kunnen automatiseren en in een probleem met de prikkelverwerking.