Wat is DCD?

Soepel bewegen, een bal gooien en vangen, fietsen, jezelf aan- en uitkleden, veters strikken, tandenpoetsen, billen afvegen, met mes en vork eten, met een pen schrijven, over een lijn knippen, een logisch verhaal vertellen; het lijkt allemaal heel gewoon dat kinderen deze vaardigheden leren. Voor sommige kinderen is dat echter niet zo vanzelfsprekend. Dat kunnen kinderen zijn met DCD. DCD is een ontwikkelingsstoornis van de coördinatie van bewegingen.

Wat is DCD? 

DCD staat voor Developmental Coordination Disorder, in het Nederlands vertaald coördinatie- ontwikkelingsstoornis. Kinderen met DCD hebben een achterstand in de ontwikkeling van motorische vaardigheden en moeite met het coördineren van de bewegingen, waardoor ze alledaagse taken minder makkelijk uit kunnen voeren dan leeftijdsgenoten. Kinderen met DCD worden vaak als “onhandig” omschreven.

DCD komt voor bij vijf tot zes procent van de schoolgaande kinderen. Dit betekent dat er in vrijwel iedere groep sprake is van één of meer leerlingen met DCD. Er zijn meer jongens met DCD dan meisjes.

Kenmerken van DCD 

DCD wordt officieel vastgesteld aan de hand van criteria uit de DSM-5 (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders). De criteria voor DCD komen kortgezegd neer op de volgende vier punten:

  • Het aanleren en uitvoeren van gecoördineerde motorische vaardigheden verloopt duidelijk onder het niveau dat verwacht mag worden gezien de leeftijd en de verstandelijke mogelijkheden van een kind om vaardigheden te leren en te gebruiken.
  • De problemen die het kind hierdoor ondervindt, hebben duidelijk invloed op zijn of haar leven; bij allerlei dagelijkse taken thuis, op school en tijdens sport en spel.
  • De symptomen beginnen op jonge leeftijd.
  • De problemen die het kind op motorisch vlak heeft, kunnen niet worden toegeschreven aan een andere oorzaak, zoals een verstandelijke beperking, problemen met het zien of een neurologische aandoening.

De diagnose DCD kan alleen gesteld worden door een daarvoor geschoolde arts (kinderrevalidatiearts, kinderarts, jeugdarts, kinderneuroloog, kinderpsychiater).

Oorzaak en gevolgen van DCD 

De naam DCD zegt niets over de achterliggende oorzaak. Het zegt alleen dát er iets met de motoriek aan de hand is, niet wát er aan de hand is. Motorische onhandigheid wordt meestal wel beschouwd als een uiting van een in aanleg niet optimaal ontwikkeld zenuwstelsel.

Kinderen met DCD kunnen onderling sterk verschillen. Voor alle kinderen met DCD geldt dat er motorische problemen zijn, die hun uitwerking hebben op het dagelijks leven. Kinderen met DCD kunnen bijvoorbeeld niet goed mee komen op school (bijvoorbeeld met knutselen, schrijven, gymnastiek), tijdens algemene dagelijkse activiteiten (bijvoorbeeld aan- en uitkleden en eten met bestek), tijdens sporten en spelen met vrienden.

Dit kan grote gevolgen hebben voor het zelfbeeld van het kind. Kinderen met DCD kunnen boos reageren, uit frustratie omdat ze activiteiten minder goed uit kunnen voeren dan andere kinderen.

Of gaan vermijden om mee te doen met sport en spel. Een andere reactie is clownesk te reageren, om het onhandige gedrag te verbloemen, bijvoorbeeld als het wéér niet lukt om een bal in het doel te schoppen of als er voor de zoveelste keer een beker drinken om gaat.

Bijkomende stoornissen 

Een niet optimaal ontwikkeld zenuwstelsel kan naast problemen met de motoriek ook gevolgen hebben op andere ontwikkelingsgebieden. Zo komt DCD vaak voor in combinatie met andere ontwikkelingsstoornissen zoals AD(H)D, een stoornis in het autistisch spectrum (ASS), leerstoornissen (zoals dyslexie) of een specifieke stoornis in de spraaktaalontwikkeling, waarbij het kind problemen heeft met het vertellen van een logisch verhaal en het verwoorden van een plan.

DCD in puberteit en volwassenheid

Kinderen met DCD kunnen leren om allerlei motorische taken goed uit te voeren, maar zullen vaak moeite blijven houden met nieuwe taken en met het plannen en organiseren van bijvoorbeeld het huiswerk. Daardoor is de overgang naar de middelbare school soms lastig en kan een korte periode begeleiding dan weer helpend zijn. Het kind kan dan nieuwe strategieën aanleren om de nieuwe taken aan te kunnen.

Ook volwassenen kunnen soms de invloed van hun DCD nog merken, bijvoorbeeld bij het leren auto rijden.