DCD vaststellen

Jonge kinderen ontwikkelen zich allemaal in hun eigen tempo. Signalen van afwijkende motoriek zijn daarom op jonge leeftijd niet eenvoudig te constateren. Soms geven ouders zelf aan dat hun kind zich anders ontwikkelt dan leeftijdsgenootjes, soms is een leerkracht of een sportleider degene die dit bij de ouders aangeeft.

De diagnose DCD wordt meestal pas vanaf het 5e levensjaar van het kind gesteld, als de moeite met het aanleren van nieuwe vaardigheden duidelijker wordt door de eisen op school.

Er kan sprake zijn van DCD als een kind:

  • Niet soepel beweegt
  • Onhandig is
  • Vaak struikelt, botst of dingen laat vallen
  • Moeite heeft met dagelijkse activiteiten, zoals bestek gebruiken, een bal vangen, knippen, veters strikken
  • Slecht leesbaar schrijft of veel moeite heeft met (leren) schrijven
  • Vermijdt om mee te doen aan sport en spel waarbij veel bewogen moet worden
  • Moeite heeft met het leren van nieuwe vaardigheden
De diagnose DCD stellen

Om DCD vast te kunnen stellen, moet een arts (meestal is dit een kinderrevalidatiearts) beoordelen of de motorische problemen van het kind voldoen aan alle vier criteria voor DCD uit de DSM-5. Dit wordt gedaan door het kind te onderzoeken om eventuele andere oorzaken voor de motorische onhandigheid uit te sluiten.

Verder voert de arts een uitgebreid gesprek met de ouders over de motorische ontwikkeling van het kind tot nu toe en over de problemen die het kind ondervindt op het gebied van zelfredzaamheid, schoolse vaardigheden en beweegactiviteiten.

Daarnaast moet een motorische test, de Movement ABC-2, worden afgenomen, meestal door een fysiotherapeut of oefentherapeut. Deze test geeft een indicatie van het motorisch functioneren van een kind op de gebieden handvaardigheid, balvaardigheid en evenwicht.

Waarom is het belangrijk om de diagnose DCD te stellen?

Ouders hebben vaak al een tijd het gevoel dat hun kind zich anders ontwikkelt dan andere kinderen, maar het kan lastig zijn om uit te leggen wat er is en om de juiste hulp te vinden. Ook merken ouders vaak dat de problemen met het bewegen invloed hebben op het zelfvertrouwen van het kind.

De diagnose DCD kan dan een bevestiging zijn voor ouders dat de ontwikkeling van hun kind anders verloopt en dat dit niet gebaseerd is op onwil van het kind. Ook kan het richting geven bij het zoeken van hulp en advies en bij het aanpassen van taken en van de omgeving, zodat het kind zich zo optimaal mogelijk kan ontwikkelen.

Verder kan het stellen van de diagnose DCD en de hulp bij het omgaan daarmee voorkomen dat het kind last krijgt van een laag zelfbeeld of bewegingsactiviteiten en sociale situaties vermijdt.

Route naar de diagnose DCD

Voor observatie en onderzoek door een kinderrevalidatiearts is een verwijzing nodig van de huisarts, of van een kinderarts, jeugdarts, kinderneuroloog of kinderpsychiater als die bij het kind betrokken is.

Als een kind al in de eerste lijn naar een kinderfysiotherapeut, oefentherapeut of ergotherapeut gaat, kan die de behandeling starten en bij een vermoeden van DCD aan ouders adviseren om voor verder onderzoek naar de kinderrevalidatiearts te gaan (met een verwijzing van de huisarts).