DCD behandelen

Waarom behandelen?

Kinderen met DCD zijn motorisch onhandig en hebben moeite met het aanleren van nieuwe vaardigheden. Dat gaat meestal niet vanzelf over.

De afstemming van bewegingen is vaak lastig, waardoor een kind met DCD snel het evenwicht verliest, te veel of te weinig kracht gebruikt bij het gooien van een bal, het aanleren van de zwemslagen lang duurt of het precies sturen van een schaar of pen niet lukt.

Hierdoor heeft het kind meer moeite dan leeftijdsgenoten om mee te komen bij allerlei activiteiten thuis, op school en in de vrije tijd. En als een kind daardoor bepaalde taken gaat vermijden krijgt het ook nog eens minder oefening dan andere kinderen, waardoor de achterstand en de frustratie steeds groter kunnen worden.

Doelen van behandeling

Het oefenen van de dagelijkse taken die lastig gaan kan het kind helpen om deze beter uit te kunnen voeren. Daarbij kun je denken aan leren fietsen, veters strikken, leesbaar leren schrijven of andere taken die voor het kind belangrijk zijn.

In de behandeling worden die taken geoefend en ontdekt het kind onder begeleiding van de behandelaar tips en trucs om meer succeservaringen op te doen. Ook leert het kind een methode om in stapjes problemen op te lossen.

Daarnaast kunnen adviezen gegeven worden aan ouders en leerkrachten om bepaalde taken makkelijker te maken of om het kind te helpen meer overzicht te krijgen.

De behandeling is er altijd op gericht om met meer plezier en succes de dagelijkse taken uit te leren voeren. Dit kan deels doordat het kind door de behandeling bewegingen beter leert uitvoeren, maar ook doordat het kind beter leert omgaan met de DCD en de aangeleerde oplossingen toe kan passen.

Het kind wordt zelfstandiger en kan makkelijker mee doen met allerlei taken thuis, op school en bij sport en spel.

Waar kun je terecht voor behandeling?

Behandeling van kinderen met motorische onhandigheid kan gedaan worden door zelfstandige therapeuten in de eerste lijn of door een kinderrevalidatieteam in een ziekenhuis of een revalidatiecentrum.

Het komt regelmatig voor dat een kind dat motorisch onhandig is eerst een periode oefent bij een kinderfysiotherapeut, oefentherapeut of ergotherapeut in de buurt, zonder dat de diagnose DCD al gesteld is.

Als daar dan blijkt dat de onhandigheid van het kind grote invloed heeft op het dagelijks leven kan die therapeut aan ouders adviseren om naar een revalidatieteam te gaan, voor verder onderzoek en het stellen van de diagnose DCD. Ook kan een huisarts of andere arts rechtstreeks verwijzen naar een kinderrevalidatiearts.

Doordat in een revalidatieteam verschillende therapeuten intensief samenwerken onder leiding van een kinderrevalidatiearts, kunnen ze kind en ouders vaak goed verder helpen, als begeleiding door een zelfstandig therapeut in de eerste lijn onvoldoende effect blijkt te hebben.

Na een korte observatieperiode en het stellen van de diagnose DCD worden dan afspraken gemaakt voor de behandeling. Hierbij is altijd de vraag: waar loopt het kind tegenaan in het dagelijks leven en wat is er nodig om verbetering te bereiken? Welke mensen zijn hierbij nodig?

In een revalidatieteam kunnen de volgende mensen werken:

  • kinderrevalidatiearts;
  • fysiotherapeut;
  • ergotherapeut;
  • logopedist;
  • maatschappelijk werkende;
  • psycholoog of orthopedagoog;
  • sportagoog.

Kijk voor meer informatie bij Samenstelling revalidatieteam.

Bij de behandeling van een kind is het altijd belangrijk dat er goed wordt afgestemd op de vragen vanuit thuis en school. Daarom is overleg met ouders en leerkracht belangrijk en kunnen gerichte adviezen gegeven worden voor thuis en school.