Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen

De Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen is in werking getreden op 1 januari 2015. Belangrijke wijzigingen in deze wet hebben betrekking op de ondertoezichtstelling en de gezagsbeëindigende maatregel.

 

Ondertoezichtstelling (OTS)

Voorwaarde voor een ondertoezichtstelling is dat de verwachting gerechtvaardigd moet zijn dat ouders binnen een voor het kind aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding weer kunnen dragen. De voorwaarde maakt nog eens duidelijk dat het de bedoeling is dat ouders de verzorging en opvoeding weer voor hun rekening gaan nemen, terwijl dit bij de gezagsbeëindigende maatregel niet het geval is.

 

Gezagsbeëindigende maatregel

De gezagsbeëindigende maatregel komt in de plaats van de ontheffing en ontzetting. De maatregel is erop gericht het kind zodanig op te laten groeien dat het zich goed kan ontwikkelen. Ouders zijn niet binnen een aanvaardbare termijn in staat voor de verzorging en opvoeding zorg te dragen. Daarnaast is misbruik van gezag een grond voor de gezagsbeëindigende maatregel. Een ondertoezichtstelling is niet noodzakelijk voor het opleggen van een gezagsbeëindigende maatregel.

De Richtlijn Uithuisplaatsing gaat over jeugdigen die gedwongen of vrijwillig uit huis worden geplaatst. Een uithuisplaatsing van een jeugdige is een zeer ingrijpende beslissing. Deze richtlijn kan een kader bieden voor het nemen van deze beslissing door middel van stappen en afwegingen.

De Richtlijn Crisisplaatsing gaat over jeugdigen van 0 tot 18 jaar (met uitloop tot 23 jaar) die thuis of in een pleeggezin wonen en bij wie een crisisplaatsing overwogen wordt. De richtlijn helpt professionals in de jeugdhulp om een weloverwogen besluit te nemen over uithuisplaatsingen in crisissituaties. Een landelijke richtlijn zorgt voor uniformiteit.