Theorieën over PDD-NOS
Er is in de loop van de tijd een
aantal psychologische theorieën ontwikkeld over
autismespectrumstoornissen. Deze theorieën zouden de kenmerken van
de ASS-varianten moeten verklaren en aansluiten bij de
neurobiologische inzichten. De psychologische theorieën zijn
vooral bedoeld om de kenmerken van personen met een
autismespectrumstoornis in een verband te brengen.
Hieronder volgt een overzicht van de bestaande
psychologische theorieën en nieuwe denkrichtingen over
autismespectrumstoornissen.
Bestaande psychologische theorieën:
Nieuwe denkrichtingen over ASS:
Bestaande psychologische theorieën
Centrale coherentie
De theorie van de centrale coherentie (CC) gaat uit van een
beperking van het kunnen komen tot een samenhangend (oftewel
coherent) beeld. Personen met een stoornis binnen het autistisch
spectrum hebben een tekort in centrale coherentie. Het zicht op
details bij personen met autisme is sterker dan gemiddeld
ontwikkeld, waardoor het inzicht voor het gehele samenhangende
beeld (van een plaatje of situatie) trager verloopt. Mensen met
autisme hebben dus vaak een goed oog voor detail, maar hebben
moeite om van de details een samenhangend geheel te maken. Daar
hebben zij meer tijd voor nodig.
Theory of Mind
De Theory of Mind (ToM), ook wel mindreading of mindblindness
genoemd, is het vermogen van mensen om zich een beeld te vormen van
het gezichtspunt van een ander en indirect ook van zichzelf.
Personen met autisme hebben een achterstand in hun ontwikkeling van
vaardigheden waarmee ze inzicht ontwikkelen in wat er in de
gedachten van andere mensen omgaat. Daardoor kunnen ze zich
moeilijk in anderen verplaatsen.
Het gevolg is dat ze in het sociale verkeer ook niet op die
inzichten kunnen varen en voortdurend in onzekerheid leven over de
bedoelingen en voorspellingen van het gedrag van een ander
persoon.
Naar
boven
Executief functioneren
Onder executieve functies (EF) worden de hogere controlefuncties
van de hersenen verstaan. Deze besturingsfuncties zijn
denkprocessen die cruciaal zijn bij het plannen van acties en het
doelgericht oplossen van problemen. Ze omvatten ondermeer het
stap-voor-stap kunnen plannen, impulscontrole, onderdrukken van
voor de hand liggende maar foute reacties, aanpassen van
strategieën, georganiseerd kunnen zoeken en zelfmonitoring.
Kinderen met een autismespectrumstoornis hebben een tekort aan
executieve functies. Ze vinden het vaak moeilijk om goed te plannen
en te organiseren, en om flexibel om te gaan met veranderingen.
Geldigheid theorieën
In de loop van de tijd zijn er veel discussies ontstaan over de
geldigheid van deze theorieën. Meestal verklaren ze een deel van de
problemen en spreken andere kenmerken van autisme deze juist weer
tegen. Recent zijn er met name door autismedeskundige Simon
Baron-Cohen nieuwe denkrichtingen ontwikkeld in de psychologische
verklaringen van ASS. Deze hebben geleid tot nieuwe inzichten in de
cognitieve stijl (manier van denken en leren) van deze
personen.
Naar
boven
Nieuwe denkrichtingen
In zijn boek 'Autisme en Asperger, de stand van zaken'
(Uitgeverij Nieuwezijds Amsterdam 2009) bespreekt autismedeskundige
Simon Baron-Cohen twee nieuwe psychologische theorieën over de
achtergrond van autisme:
- de theorie van empathiseren versus systematiseren
- de magnocellulaire theorie
Empathiseren versus systematiseren
De theorie van empathiseren versus systematiseren verklaart de
sociale en communicatieve problemen bij ASS op basis van
achterstanden en tekorten in het empathisch vermogen.
Tegelijkertijd verklaart deze theorie de sterke punten van
deze personen op basis van een goed of zelfs superieur vermogen tot
systematiseren.
Systematiseren is de drang tot het analyseren of ontwikkelen van
systemen. Dat kunnen allerlei soorten systemen zijn, maar het
kenmerk ervan is dat het regels volgt.
Baron-Cohen gaat zelfs zo ver dat hij de theorie doortrekt naar
het verschil tussen een vrouwelijk brein (met meer aanleg voor
sympathiseren) en een mannelijk brein (met meer aanleg voor
systematiseren). Bij ASS zou dan sprake zijn van een extreem
mannelijk brein. Dit wordt in verband gebracht met de hoeveelheid
testosteron bij de zich ontwikkelende (mannelijke) foetus.
Deze theorie stelt dus dat mensen met ASS sterk gericht zijn op
technische details en resultaten (systematiseren) en juist weinig
op contact en samenwerking (empathiseren).
De magnocellulaire theorie
De magnocellulaire theorie is in feite een neurobiologische
theorie om autisme te verklaren vanuit een tekort in het visuele
systeem in de hersenen. Hierbij wordt verondersteld (en deels
bewezen) dat er een tekort is in het magnocellulaire systeem in de
hersenen waarmee iemand contrasten en bewegingen
waarneemt. Het parvocellulaire systeem, waarmee iemand diepte
en kleur kan waarnemen, zou juist wel
goed functioneren.
Tegen deze theorie is in te brengen dat personen met autisme
niet alleen problemen hebben met het verwerken van visuele
prikkels, maar vaak ook met de verwerking van andere zintuiglijke
prikkels zoals geluiden, warmte en koude, enzovoort.
Laatste wijziging: 19-04-2012