Meer dyslexie bij kinderen uit welgestelde gezinnen

Kinderen met een migratie-achtergrond of een lage sociaal-economische status krijgen minder vaak een dyslexie-verklaring dan kinderen uit welgestelde gezinnen. 

Dit blijkt uit een kleinschalig onderzoek van het Katholiek Pedagogisch Centrum (KPC) onder in 21 scholen voor voortgezet onderwijs en 16 basisscholen. Aanleiding voor het onderzoek is de toename van het aantal leerlingen met een dyslexie-verklaring.

Naarmate scholen meer leerlingen hebben met Nederlands als moedertaal, neemt het percentage dyslexieverklaringen toe, zo blijkt uit het onderzoek. Recent onderzoek van de gemeente Amsterdam bevestigt dit beeld.

Minister van Onderwijs Jet Bussemaker vindt ‘het verschil in toegang tot diagnostiek en behandeling op grond van sociale achtergrond niet acceptabel’, zo schrijft zij in een  brief aan de Tweede Kamer van 7 juli 2017. In opdracht van haar ministerie werken de Nederlandse Vereniging van Pedagogen en Onderwijskundigen (NVO), het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) en het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie op dit moment aan een dyslexie-richtlijn. Balans is hier nauw bij betrokken.

Volgens Balans-directeur Swanet Woldhuis kiezen ouders van kinderen met dyslexie vaak bewust voor een hierin gespecialiseerde school. ‘Daardoor is het percentage leerlingen met dyslexie op sommige scholen hoger. Als een school zich profileert met goede autismezorg, dan gaan daar ook meer kinderen met autisme naar toe.’  Deze verklaring wordt ook genoemd door de scholen met relatief veel leerlingen met dyslexie.

Basisscholen met weinig dyslectische leerlingen denken dat dit onder andere komt door hun grote aandacht voor technisch lezen en naleving van het dyslexieprotocol. Maar zij wijzen er ook op dat de ouders van hun leerlingen minder op de hoogte zijn van wat dyslexie is. Scholen voor voortgezet onderwijs met relatief weinig leerlingen met dyslexie geven aan dat dit mogelijk komt door gebrek aan signalering. Het werkelijke aantal kan volgens deze scholen hoger liggen.

Volgens Woldhuis hebben ouders van kinderen uit armere milieus vaak minder kennis van ontwikkelingsproblemen. Woldhuis: ‘Balans pleit voor meer opvoedingsondersteuning voor ouders die dit nodig hebben. Daarnaast moet er voor alle doelgroepen meer aandacht komen voor preventie van ontwikkelingsproblemen als dyslexie. Daar hebben kinderen hun leven lang baat bij.’

Een onderzoek naar dyslexie vindt meestal plaats op verzoek van de ouders, zij betalen het onderzoek in de meeste gevallen ook zelf. Meerdere scholen voor voortgezet onderwijs geven aan regelmatig twijfels te hebben over dyslexieverklaringen – vaak bieden zij in dat geval geen faciliteiten aan. Vrijwel alle scholen accepteren alleen een dyslexie-verklaring van een geregistreerd othopedagoog of psycholoog, en niet van een remedial teacher of een logopedist. Slechts de helft van alle scholen betrekt ouders expliciet bij de ondersteuning in verband met dyslexie.

In haar brief aan de Kamer kondigt Bussemaker maatregelingen aan ter verbetering van het leesonderwijs. In februari 2017 stelde een aantal hoogleraren, onder wie dyslexie-expert Anna Bosman, dat het gestegen aantal kinderen met dyslexie vooral te maken heeft met slecht leesonderwijs. Uit het grootschalig internationaal vergelijkende onderzoek PISA blijkt dat de leesvaardigheid van vmbo-leerlingen al jaren daalt en het aantal 15-jarige laaggeletterden toeneemt.

Door onze redacteur Julie Wevers