Wat is DCD?

Soepel bewegen, praten, uit je woorden komen, jezelf aan- en uitkleden, tandenpoetsen, billen afvegen, met mes en vork eten, veters strikken, een bal gooien en vangen, met een pen schrijven; het lijkt allemaal heel gewoon dat kinderen deze vaardigheden leren. Voor sommige kinderen is dat echter niet zo vanzelfsprekend. Dat kunnen kinderen zijn met DCD. DCD is een ontwikkelingsstoornis van de coördinatie van bewegingen.

DCD staat voor Developmental Coordination Disorder, in het Nederlands vertaald als stoornis in de ontwikkeling van de coördinatie van bewegingen. Het is eigenlijk een verzamelnaam voor een aantal kenmerken van (licht) gestoorde motorische functies, zoals een lage spierspanning, een grote bewegingsonrust, coördinatieproblemen of problemen met de fijne motoriek. Een kind kan een probleem hebben op één van deze vlakken, maar veel vaker treden moeilijkheden in combinatie op.

DCD lijkt voor te komen bij vijf tot tien procent van de schoolgaande kinderen. Dit betekent dat er in vrijwel iedere groep sprake is van één of meer leerlingen met DCD. Vaak zijn het jongens. In diverse onderzoeken worden verhoudingen genoemd van vier meisjes tegenover tien jongens. Dikwijls worden de problemen pas op de basisschoolleeftijd door derden opgemerkt. Pas dan worden ouders met hun kind doorverwezen voor diagnostiek en/of een vorm van (fysio)therapie.

 

Kenmerken van DCD

DCD wordt officieel vastgesteld aan de hand van criteria uit de DSM-5 (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders), een van de meest gebruikte internationale classificatiesystemen in de geestelijke gezondheidszorg. Binnen het landelijk DCD-netwerk is in november 2013 afgesproken dat de diagnose DCD alleen gesteld kan worden door een revalidatiearts of een arts die hiertoe geschoold is.

De officiële DSM-5 criteria voor DCD komen kortgezegd neer op de volgende vier punten:

  • Het aanleren en uitvoeren van gecoördineerde motorische vaardigheden verloopt duidelijk onder het niveau dat verwacht mag worden gezien de kalenderleeftijd en de mogelijkheden van het kind om deze vaardigheden te leren en te gebruiken. Het resultaat is onhandigheid (dingen laten vallen, ergens tegenaan botsen) en motorisch traag en onnauwkeurig handelen (een bal vangen, een schaar of bestek gebruiken, schrijven, fietsen of sporten).
  • De problemen die het kind door punt 1 ondervindt, hebben duidelijk invloed op zijn of haar dagelijkse leven; op de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL). Ook op school, tijdens vrijetijdsbesteding en tijdens spel is de invloed duidelijk en voortdurend merkbaar.
  • De symptomen beginnen op jonge leeftijd.
  • De problemen die het kind op motorisch vlak heeft, kunnen niet worden toegeschreven aan een verstandelijke beperking of een stoornis in het zien. Ook is er geen sprake van een andere neurologische aandoening die invloed heeft op beweging, zoals cerebrale parese of spierdystrofie.

 

Oorzaak en gevolgen van DCD

De naam DCD zegt niets over de achterliggende oorzaak. Het zegt alleen dát er iets met de motoriek aan de hand is, niet wát er aan de hand is. Motorische onhandigheid wordt meestal wel beschouwd als een uiting van een in aanleg niet optimaal ontwikkeld zenuwstelsel. Kinderen met DCD zijn vaak wat trager in het bereiken van de zogenaamde ontwikkelingsmijlpalen zoals gaan kruipen, zitten, staan en lopen. Niet alleen verloopt de motorische ontwikkeling vertraagd, de kwaliteit van bewegen loopt ook achter. Kinderen met DCD bewegen zich minder soepel. Dit gebrek aan vloeiendheid in de beweging kan tot op volwassen leeftijd blijven bestaan.

DCD kan bij kinderen in verschillende situaties problemen geven. Handelingen zoals lopen, klimmen, schrijven of knippen kosten een kind met DCD soms veel moeite. Veel kinderen met DCD werken hierdoor traag of komen niet goed mee op school. Ook vinden ze het vaak moeilijk om met de juiste motoriek te reageren. Bijvoorbeeld om een bal op tijd te vangen. Daarnaast zijn er kinderen die zich moeilijk kunnen concentreren en die moeite hebben met het horen, zien en begrijpen van wat er om hen heen gebeurt. Ze hebben ook vaker problemen met spreken. Kinderen met DCD praten vaak onduidelijk en hebben moeite met articuleren. Ook komt stotteren voor.