NLD vaststellen

De criteria om de diagnose te kunnen stellen, zijn bij NLD nog onvoldoende eenduidig. Op dit moment zijn er nog geen wetenschappelijk betrouwbare meetinstrumenten om NLD met zekerheid vast te stellen. Er zijn ook geen afspraken over criteria voor het vaststellen van NLD. Maar we moeten (en kunnen) er wel iets mee. Ook bij NLD geldt: hoe eerder er wordt ingegrepen, hoe beter de resultaten.

Hoe onze hersenen werken, wat ze goed en minder goed kunnen, bepaalt voor een groot deel welke taken in het dagelijks leven makkelijk en welke moeilijk voor ons zijn. Ouders die kenmerken van NLD bij hun kind herkennen, moeten zich afvragen of hun kind er ook in het dagelijks leven last van heeft. Als dat zo is, dan is het goed om een orthopedagoog of psycholoog in te schakelen om eens mee te kijken. Het kan handig zijn om te weten wat voor een kind lastige taken zijn, ongeacht of de diagnose NLD ook wordt gesteld. Ouders en leerkrachten kunnen beter rekening houden met een kind als zij zo goed mogelijk begrijpen wat lastig is en waar hij of zij hulp bij kan gebruiken.

 

Inzicht krijgen in de sterke en zwakke kanten

Het doel van een onderzoek of diagnose is inzicht krijgen in de sterke en zwakke kanten van een kind. In welke mate wordt het kind cognitief overvraagd en wat kun je wel en niet verwachten op het gebied van impulsiviteit, aandacht, geheugen, sociaal-emotionele ontwikkeling en executieve functies? Een neuropsycholoog zal zo goed mogelijk bekijken hoe de cognitieve functies van een kind of jongere zijn ontwikkeld. Met cognitieve functies worden bedoeld: je aandacht op iets richten, waarnemen (kijken, luisteren, voelen), allerlei aspecten van taal, ruimtelijk inzicht, motoriek, geheugen, logisch nadenken, plannen en flexibiliteit in het denken.

 

Kennismakingsgesprek en diagnostisch onderzoek

In een eerste kennismakingsgesprek met een hulpverlener wordt besproken welke vragen er bij ouders en het kind of de jongere leven en wat er voor nodig is om deze vragen zo goed mogelijk te beantwoorden. Meestal zal er eerst een diagnostisch onderzoek plaatsvinden. In dit diagnostisch onderzoek wordt in kaart gebracht hoe de informatieverwerking bij het kind verloopt. Na het onderzoek vinden er doorgaans meerdere terugkoppelings- of adviesgesprekken plaats, die meteen de start vormen van de behandeling en begeleiding. Omdat de informatieverwerking zo sterk bepaalt hoe het leren op school verloopt, is een aanvullend gesprek tussen de hulpverlening en school eigenlijk onmisbaar.

Een onderzoek naar NLD wordt bij voorkeur uitgevoerd door een team van deskundigen, waarbij de volgende zaken in beeld worden gebracht:

  • De ontwikkelingsgeschiedenis van het kind
  • De schoolprestaties
  • De (neuro)psychologische ontwikkeling
  • De sociale, emotionele en adaptieve ontwikkeling (praktische, alledaagse vaardigheden), zonodig aangevuld met een kinderpsychiatrisch onderzoek

NLD wordt weleens verward met andere stoornissen, zoals ADHD, DCD en een autismespectrumstoornis (ASS). NLD kan ook worden gezien als een aanvullende diagnose die door de diagnoses ADHD en ASS heen kan lopen. Wanneer er wordt vermoed dat naast NLD ook sprake is van ADHD, ASS, depressie of een angststoornis, zullen kinderen met dit vermoeden ook onderzocht worden door een kinder- en jeugdpsychiater. Die kan vaststellen of er ook van een van deze diagnoses sprake is. De diagnose NLD zegt vooral iets over de informatieverwerking.

 

Intelligentie

Intelligentie heeft betrekking op de manier waarop een persoon de informatie uit zijn omgeving filtert, ordent, vergelijkt met al bekende informatie, omzet in schema’s en patronen, opslaat in het geheugen en ten slotte gebruikt om een reactie voor te bereiden en uit te voeren. Het gedrag dat wij van een kind zien, is het eindresultaat van al die informatieverwerkingsprocessen.

Bij kinderen met NLD kan er een groot verschil zitten tussen de verbale en performale intelligentie, anders gezegd: tussen de verbale vaardigheden en het handelend vermogen. Dit wordt een disharmonisch intelligentieprofiel genoemd. Intelligentieonderzoek kan helpen bij het begrijpen van de oorzaken en samenhang van de problemen waar het kind in het dagelijks leven tegenaan loopt. Het kan helpen om de individuele eigenschappen van het kind, die niet altijd rechtstreeks uit het gedrag zijn op te maken, beter in beeld te krijgen. Met psychologische tests kun je bijvoorbeeld bepaald gedrag uitlokken en observeren hoe het kind in een specifieke situatie reageert. Bovendien hebben tests het voordeel dat je de prestaties objectief kunt vergelijken met prestaties van leeftijdsgenoten.

Om de intelligentie te meten zijn er verschillende tests. Een van de meest gebruikte is de WISC (Wechsler Intelligence Scale for Children). Een test die wordt gebruikt voor kinderen in de leeftijd van 6-17 jaar. Met deze test kan het IQ (intelligentie quotiënt) worden bepaald. Dit is een maat voor de vergelijking van de werkelijke leeftijd van een kind ten opzichte van de mentale leeftijd.

De WISC kent dertien verschillende subtests die verbale en performale vaardigheden meten en samen het totale IQ bepalen. Het verbale IQ (VIQ) zegt iets over taalvaardigheid: woordenschat, taalgevoel, redeneringsvermogen en algemene ontwikkeling. Met het performale IQ (PIQ) meet je hoe iemand praktisch omgaat met kennis; hoe worden praktische problemen opgelost. Inzicht, bijvoorbeeld ruimtelijk inzicht, maar ook motorische vaardigheden spelen een rol. Het verbale IQ en het performale IQ vormen samen het totale IQ (TIQ).

De meeste mensen scoren bij alle onderdelen ongeveer even goed. Soms is dat niet zo. Dan zie je grote verschillen en is er sprake van een disharmonisch profiel. Een sterk disharmonisch intelligentieprofiel brengt meestal problemen met zich mee bij het leren op school. Kinderen met NLD zijn verbaal over het algemeen zeer vaardig. Door alleen af te stemmen op het verbale IQ is het risico groot dat deze kinderen worden overvraagd. Intelligentie moet altijd in samenhang met de ontwikkeling van de hele persoon worden gezien. Dat betekent dat er rekening gehouden moet worden met het verschil tussen de leeftijd en de cognitieve ontwikkeling, maar ook met het verschil tussen de leeftijd en de sociaal-emotionele ontwikkeling.

Uit onderzoek blijkt dat er wel vaker verschillen worden gevonden tussen de diverse onderdelen die samen de totale intelligentie vormen. Een derde van de kinderen heeft meer dan tien punten verschil tussen het verbale en het performale IQ. Twaalf procent heeft meer dan twintig punten verschil. Het is bekend dat verschillen tussen het verbale en performale IQ vaker bij bepaalde stoornissen voorkomen. Als er echter extreme verschillen zijn, dan is dat uitzonderlijk. Meestal is dat een teken dat de ontwikkeling van de verschillende functies niet harmonisch verloopt.

Een onderzoeker zal nooit op basis van een intelligentieprofiel alleen, een uitspraak kunnen doen over de cognitieve mogelijkheden van een kind. De sterke en zwakke kanten die naar boven komen, moeten aanleiding geven eventueel verder onderzoek te doen. Bijvoorbeeld een neuropsychologisch onderzoek. Tijdens zo’n onderzoek kunnen verschillende functies worden onderzocht, waaronder: geheugen, aandacht en concentratie, snelheid van informatieverwerking, waarneming, ruimtelijk inzicht, sociaal inzicht, planningsvaardigheden, taal en probleemoplossend vermogen. De tests worden afgestemd op de leeftijd van het kind.