DCD vaststellen

Jonge kinderen ontwikkelen zich allemaal in hun eigen tempo. Signalen van afwijkende motoriek zijn daarom op jonge leeftijd niet eenvoudig te constateren. Bij de helft van de kinderen bij wie later DCD-problemen worden geconstateerd, wordt dat op de peuter- en kleuterleeftijd niet opgemerkt. Andersom gebeurt ook: DCD-problemen die op jonge leeftijd worden geconstateerd, kunnen later vanzelf verdwijnen.

Om DCD vast te kunnen stellen, is observatie en onderzoek nodig van het kind, door bijvoorbeeld een revalidatie- of kinderarts, kinderfysiotherapeut of neuroloog. De revalidatiearts doet bijvoorbeeld onderzoek om andere ziekten uit te sluiten. Op basis hiervan wordt een voorstel gedaan voor een eventuele behandeling van uw kind. Voor observatie door een revalidatie- of kinderarts of neuroloog is een verwijzing nodig van de huisarts. Voor een observatie of test door de kinderfysiotherapeut is dit niet nodig. Een maatschappelijk werker kan eventuele problemen thuis in kaart brengen.

 

Intelligentieniveau

Een psycholoog of orthopedagoog kijkt naar welke problemen het kind op school ervaart. De diagnose kan niet worden gesteld als het IQ op of beneden de 70 valt, omdat er dan sprake kan zijn van een verstandelijke beperking die de motorische problemen kan verklaren. Verondersteld mag worden dat het IQ boven de 70 valt, wanneer een kind op het regulier onderwijs zit en niet is blijven zitten en er geen andere twijfel bestaat over het intelligentieniveau.

 

(Kinder)fysiotherapeut

De fysiotherapeut test de grove motoriek en de fijne motoriek, waaronder het handschrift en de samenwerking tussen ogen en handen. De kinderfysiotherapeut heeft speciale onderzoekstests waarbij wordt gekeken in hoeverre de motorische ontwikkeling van het kind afwijkt van die van het gemiddelde kind.

 

Onderzoeksinstrumenten die kunnen worden gebruikt:
  • De Movement ABC-2: de test is ontwikkeld om een indicatie te krijgen van het motorisch functioneren van een kind in het dagelijks leven.
  • Het Foto-interview: instrument voor therapeuten en ambulant begeleiders om praktische problemen van kinderen met een lichamelijke handicap duidelijk te krijgen.
  • De School-AMPS: dit instrument is ontwikkeld voor ergotherapeuten om een leerling in de schoolse omgeving te observeren.
  • Het Schrijfonderzoek volgens het KNGF Evidence Statement: ‘Motorische schrijfproblemen bij kinderen’: dit Evidence Statement biedt onderbouwing vanuit de wetenschappelijke literatuur bij de keuzes die kinderfysiotherapeuten maken bij de indicatiestelling kinderfysiotherapie, de diagnostische mogelijkheden en de advisering en behandeling.

 

Bijkomende stoornissen

Een niet optimaal ontwikkeld zenuwstelsel kan naast problemen met de motoriek ook gevolgen hebben op andere ontwikkelingsgebieden. Zo hebben kinderen met DCD vaker dan gemiddeld last van taalontwikkelingsstoornissen en problemen bij het zindelijk worden.

Daarnaast gaat DCD meer dan gemiddeld samen met ADHD, autismespectrumstoornissen (ASS) en leerstoornissen en kampen kinderen met DCD meer dan het gemiddelde kind met een laag zelfbeeld. Veel kinderen met DCD werken traag of komen niet goed mee op school.

Ook zijn er kinderen die zich moeilijk kunnen concentreren en die moeite hebben met het horen, zien en begrijpen van wat er om hen heen gebeurt. Bij veel kinderen met DCD zien we, net als bij kinderen met leerstoornissen, een langzame informatieverwerking. Rekenproblemen hebben een sterkere relatie met onhandigheid dan lees- en spellingproblemen. Dat kan te maken hebben met een trage informatieverwerking in de ruimtelijk-visuele waarneming.