DCD in het gezin

Extra oefeningen

Als uw kind DCD heeft en motorisch onhandig is, kan de motorische ontwikkeling worden gestimuleerd door extra oefeningen. Dat kan individueel onder leiding van een kinderfysiotherapeut, op school onder begeleiding van een Motorische Remedial Teacher of in andere groepstrainingen voor kinderen met DCD.

Daarnaast is het ook belangrijk dat ouders thuis veel met hun kind samen spelen en oefenen. Uw kind heeft hier natuurlijk veel aanmoediging bij nodig, omdat juist deze oefeningen hem extra moeite kosten. Maak het oefenen leuk en niet te moeilijk. Het is beter om vaker en kort te oefenen. Bij te lang oefenen kan uw kind zijn concentratie verliezen. Sluit het oefenen altijd af met een succeservaring. Wanneer iets echt niet lukt, help uw kind dan om dit te accepteren en zoek naar activiteiten die hij wél kan.

 

Aanpassingen bij dagelijkse activiteiten

Probeer thuis aanpassingen in te voeren bij de dagelijkse activiteiten. Geef geen complexe en lange opdrachten. Zoek oplossingen voor kleding die moeilijk aan of uit te trekken is. Gebruik elastiek of een sleutelhanger/ring aan ritssluitingen. Leer uw kind zijn kleren in de juiste volgorde uit te doen en neer te leggen, zodat hij ze de volgende dag in de juiste volgorde weer aan kan trekken. Leg zelf kleding vast in de juiste volgorde klaar. Maak thuis en op school als het kan gebruik van hetzelfde materiaal. Gebruik een bord met een opstaande rand, verdikt/verzwaard bestek of een beker met (twee) oren, dan lukt het drinken vaak beter.

 

Onenigheid tussen ouders

Soms is er onenigheid tussen ouders over de interpretatie van het gedrag van hun kind. De één zegt dat het kind het wel kan maar gewoon niet wil, de ander zegt dat hij het echt niet kan. Kinderen met DCD zijn meestal jongens. Het kan voorkomen dat met name vaders teleurgesteld zijn in de sportprestaties van hun zoon. Dat zeggen ouders niet snel hardop, maar het speelt vaak wel mee. Door gesprekken met een psycholoog komen de ouders weer op één lijn en kan de houding naar het kind veranderen, waardoor er een positievere en stimulerende sfeer in huis ontstaat.

 

Puberteit

Een deel van de kinderen met DCD lijkt over de problemen heen te groeien: meer dan de helft verbetert aanmerkelijk in de puberteit. Toch kan behandeling wel nodig zijn om het kind een aantal noodzakelijke vaardigheden aan te leren, zoals fietsen of een bal vangen. Daarnaast kan het nuttig zijn het kind, maar ook de ouders en de school, te helpen bij het zoeken van compensaties. De begeleiding van kind en ouders kan een motorisch, maar soms ook een psychologisch accent hebben. Samenwerking met de school is zeer belangrijk.

Behandeling kan ook nodig zijn om te voorkomen dat het kind door zijn onhandigheid een negatief zelfbeeld opbouwt. Als kinderen veel negatieve ervaringen opdoen, dan heeft dat een weerslag op het zelfbeeld. Deze gevolgen van een negatief zelfbeeld zijn thuis vaak goed merkbaar en zijn helaas dikwijls nog terug te zien in de puberteit. Juist in die periode zijn de sociaal-emotionele gevolgen van de motorische problemen zichtbaar. Een psycholoog kan met de ouders praten over het gedrag van het kind en werken aan de opbouw van een positief zelfbeeld.

Soms hebben ouders niet in de gaten dat een kind met aandachttrekkend gedrag een negatief zelfbeeld probeert te compenseren. Het komt vaak voor dat kinderen clownesk gedrag vertonen of dat ze juist niets meer willen proberen, omdat ze denken dat ze het toch niet kunnen. Een kind moet veel worden gestimuleerd en geprezen om dat gedrag te veranderen en daarin hebben de ouders een belangrijke rol.