Intelligentie

Intelligentie heeft te maken met de werking van onze hersenen, bijvoorbeeld het vermogen om problemen op te lossen of taal te begrijpen. Het is de capaciteit van iemand om:

  • zich doelgericht te gedragen;
  • rationeel te denken;
  • effectief om te gaan met zijn omgeving.

 

Ontwikkeling van intelligentie

De ontwikkeling van intelligentie is afhankelijk van de interactie tussen aanleg en omgeving. Zo helpt een stimulerende omgeving om de intelligentie te ontwikkelen die in de genen ligt.

Intelligentie bij een kind jonger dan vijf jaar hangt maar matig samen met intelligentie op latere leeftijd. De stabiliteit neemt wel toe naarmate een kind ouder wordt. Vanaf een leeftijd van 11 of 12 jaar vertoont de intelligentie een sterke samenhang met intelligentie op latere leeftijd.

 

Intelligentieonderzoek

Psychologen gebruiken tests om intelligentie te meten. De scores daarbij geven een beeld van de cognitieve ontwikkeling van een kind.

Het intelligentiequotiënt (IQ) is een maat voor intelligentie. Het gemiddelde IQ ligt tussen de 90 en 110. Bij een kind wordt het IQ uitgedrukt in relatie tot de gemiddelde intelligentie van de groep leeftijdsgenoten.

Intelligentie bestaat uit twee onderdelen:

  • Verbale intelligentie (VIQ): gericht op verbale kennis
  • Performale intelligentie (PIQ): gericht op ruimtelijk-visueel/handelingsgericht denken

Een intelligentieonderzoek bestaat uit meerdere tests die onderling samenhangen. Samenhang verwijst naar een onderliggende cognitieve functie, zoals ruimtelijk inzicht. Intelligentietheorieën verschillen in opvatting. De ene theorie ziet cognitieve capaciteit als een globaal concept, de andere theorie maakt onderscheid in onafhankelijke cognitieve functies.